Tanzani 2 (2 t/m 8 oktober 2011)

Tanzani 2 (2 t/m 8 oktober 2011)


Zondagmorgen rijden we over een heel goede weg naar Dar es Salaam en zien veel vrachtwagens met containers en bussen op de weg. Dit gedeelte van Tanzania is duidelijk beter ontwikkeld dan het zuiden en de huisjes en de mensen zien er verzorgder uit. Hoe dichter we bij Dar komen des te drukker het wordt. We kopen groente en fruit langs de kant van de weg en doen boodschappen bij de Shoprite en het lijkt wel of we in Luilekkerland zijn want we zien weer heerlijke Westerse producten tegen dito prijzen. We kunnen ook weer eens bier in blik kopen maar men accepteert ons lege bierkratje uit Malawi weer niet en we laten deze maar achter op de parkeerplaats met de edelmoedige gedachte dat we er iemand heel blij mee maken. Om bij de camping ten zuiden van Dar te komen moeten we met een veerpont over, de overtocht duurt slechts 5 minuten maar we moeten dan wel eerst 1 ½ uur wachten. Als we eindelijk aan de overkant zijn heerst er weer rust en zien hoe op de fiets kokosnoten worden vervoerd.

Om 3 uur zijn we bij de Kipepeo resort dat gelegen is aan het strand en zeer leuk aan doet. Omdat het weekend is zijn er veel expats en andere gasten en het is een poos geleden dat we zo veel wit bekken bij elkaar hebben gezien. Als we het campingterrein op rijden valt het wat tegen want er staan 5 grote overland trucks en 10-tallen tentjes van de passagiers ervan die in 3 weken met groepen van 20 man door een deel van Afrika reizen. We gaan maar eerst zwemmen in het lekkere warme water van de Indische Oceaan en nemen dan een koele versnapering. Het net gekochte vlees wordt op de bbq gelegd en met veel smaak genuttigd. Een paar 100 meter verderop is een discotent waar de muziek hard staat en daar balen we flink van want het gaat tot 9 uur door.


Maandag is de rust weergekeerd want alle weekend gasten en de meeste overlanders zijn vertrokken. We blijven hier nog een dagje en proberen te vergeefs onze gasflessen te laten vullen. Het lukt wel om de camper bij een carwash te laten ontdoen van de dikke lagen modder. Twee man zijn met een hogedruk spuit 1 ½ uur bezig de modder te verwijderen en ons voertuig ziet er dan weer als nieuw uit. De beide mannen hebben keihard gewerkt en ik geef ze een geplastificeerde foto van het Nederlands elftal en ze kennen de namen van bijna alle spelers. Op de camping hoor ik dat er in Dar es Salaam een goede Toyota garage is en ik kan een afspraak maken voor de broodnodige 50.000 km beurt voor onze trouwe vierwieler. We eten lekker in de lodge met op de achtergrond de ruisende oceaan en gelukkig geen discodreun.

Dinsdag staan we om 5 uur op want we willen zo vroeg mogelijk bij de garage zijn, het is slechts 15 km rijden maar we moeten ook weer met de pont. Dat duurt ruim een uur en na een uur file rijden in Dar zijn we net voor achten bij de grote Toyota garage waar we de camper achterlaten. We nemen de 3 gasflessen mee en rijden met een tuktuk taxi naar een adres waar men allerlei soorten gasflessen kan vullen. We verwachten dat dit bij een groot en super beveiligd bedrijf zal zijn maar we komen in een rommelig winkeltje van een Indiër. Hij kijkt naar de flessen en zegt oké, over 3 uur kan je ze ophalen, kosten 20 euro. We zijn dolblij dat hij het kan want we hebben bij andere gasvulbedrijven telkens bot gevangen met onze Europese flessen. Of de Indiër aan alle veiligheids voorschriften voldoet betwijfelen we maar voor ons geldt: vol gas is vol gas.

We gaan in een luxe hotel cappuccino drinken en lopen dan door het centrum van Dar naar het Nationaal museum van Tanzania om de nodige cultuur op te doen, maar vooral om de tijd de doden. We halen de gevulde gasflessen op en zijn erg blij dat we de aankomende maanden genoeg voorraad hebben. Om 3 uur zijn we bij de garage en onze auto is net klaar.

We willen naar een plaats 70 km ten noorden van Dar gaan maar de wegen staan weer vol files die veroorzaakt worden door auto’s met pech, a-sociaal voordring gedrag en slechte wegen waarvan sommige om de 100 meter ook nog eens verkeersdrempels hebben. Voorts blokkeren de overvloed aan minibusjes de doorgang als zij voor een passagier stoppen en kunnen sommige oude vrachtwagens maar kruipend vooruit komen als het verkeerslicht op groen gaat. Kortom na 2 uur zijn we 20 km verder en gaan maar bij een verlopen camping op het strand staan waar de vissersbootje dicht langs de kant voorbij varen. Het waait knap hard en ik krijg met moeite het kampvuur aan maar als deze eenmaal brandt is onze voorraad hout snel in rook op gegaan.

Woensdag rijden we om 7 uur weg want we willen 350 km naar het noorden rijden. Er zit een hobbelig stuk bij van 60 km maar de rest is voor Afrikaans begrippen goed. Een klein gedeelte is in aanbouw en we worden omgeleid naar een tijdelijk hobbel pad maar komen dan bij een splitsing met een slecht gedeelte en de weg in aanbouw die prachtig vlak is en daar gaan we maar op rijden. Als we daar 10 km op hebben getoerd komen we bij een versperring door een dikke boomstam en 2 man komen aanrennen en zijn uiterst boos dat we op de weg in aanbouw rijden. Ze spreken geen Engels en gebaren dat we de motor moeten afzetten en eentje pakt het stuur vast en ze gebaren dat we mee moeten komen. Joke draait het raam een stuk omhoog en met onze meest onschuldige gezichten zeggen dat we er niets van begrijpen en keren om. Even verder rijden we over hopen zand naar de tijdelijke weg en een paar minuten later rijden we de beide mannen hard voorbij en zwaaien maar niet naar hen. We hebben onderweg nog een regenbuitje en komen in een gedeelte dat mooi groen is en waar citroenen worden verbouwd. We nemen een kronkelige bergweg en rijden langs diepe afgronden naar Lushoto en gaan bij de Irente Cliff View Lodge staan. Deze naam klopt helemaal want we hebben vanuit de camper een prachtig uitzicht op de Maasai vlakte die 1000 meter lager ligt. Het is op deze hoogte veel koeler, namelijk 20 graden en als de zon onder is moeten we een trui aan als we buiten eten.

Donderdagmorgen om 8 uur komt Josef ons ophalen want hij zal vanmorgen onze gids zijn in deze bergachtige omgeving. We lopen door een bos en Josef wijst bomen aan waarvan de bast gebruikt wordt om schoensmeer te maken. Van een andere boom plukt hij bladeren en wrijft deze fijn en vertelt dat je bij huidproblemen het groene sap ’s avonds op de geïrriteerde plek moet smeren maar ’s morgens moet je het er wel af wassen anders loop je als een groene neger rond. Op een grote uitstekende rots hebben we een prachtig uitzicht over de grote vlakte onder ons. Daarna lopen we door dorpjes, sommige kinderen zijn verlegen en enkelen bang, anderen staren ons aan maar de meesten groeten uitbundig. Op deze bergketen valt veel regen en is dus zeer vruchtbaar, er kan het hele jaar door groente verbouwd worden zoals kool, aardappelen, andijvie. Van suikerriet “brouwt” men bier en in een hutje van klei, dat dienst doet als dorpskroeg, proeven we het zure suikerriet bier dat heel anders smaakt dan de bekende koude rakker. Josef is een leuke gids en heeft de bijnaam Josef Cameleon omdat hij deze diertjes goed weet te spotten en er veel van weet. Als hij er eentje in de top van een boom ziet klimt hij er in, breekt de tak af en laat ons even later de gifgroene kameleon zien. Hij zet hem op mij arm, het is een prachtig beestje van ca 25 cm lang, heeft scherpe nagels, zijn ogen kunnen 180 graden draaien en zijn staart is soms rond in elkaar gekruld. Helaas zien we het beestje niet verkleuren want dat doet hij alleen als hij in gevaar is. Om 12 uur zijn we bij de camper terug en bedanken Josef hartelijk voor de leuke tocht.

‘s Middags rijden we een stukje verder en gaan op de camping van Irente’s Farm staan, een biologische boerderij die bekend is om zijn eigen gemaakte kaas, kwark en brood. De eigenaresse komt uit Zweden en geeft wat leuke tips voor de plekken die we binnenkort gaan aandoen.

Vrijdag staan we weer vroeg op en rijden weer via de kronkelweg naar het dal en zien dat de 2 vrachtauto’s met pech er nog steeds staan, dus al 2 minstens dagen en waarschijnlijk moeten de chauffeurs nog veel langer wachten op reparatie. Onderweg zien we grote plantages met sisalplanten waarvan men de bladeren gebruikt om sisaltouw te maken

We gaan vandaag naar Marango, een plaatsje dat ligt aan de voet van de Kilimanjaro, met 5895 meter de hoogste berg van Afrika. Toen 160 jaar geleden een Europese ontdekkings reiziger deze berg voor het eerst zag en bij thuiskomst vertelde dat er in de tropen van Afrika een heel hoge berg was met een besneeuwde top werd hij niet geloofd. Nu geloven sommigen niet dat door de klimaatsverandering de Kilimanjaro binnen afzienbare tijd sneeuwloos kan worden. Onze gids heeft gisteren verteld dat de Kilimanjaro bij heel helder weer soms op 200 km afstand zichtbaar is. Het is vandaag echter geen helder weer maar op 100 km voor Marango turen we te vergeefs in de verte. Als we op 50 km afstand zijn zien we de karakteristieke alleenstaande berg met witte kap nog steeds niet en op 10 km is er nog steeds geen Kilimanjaro zichtbaar. Als we in Marango zijn vraag ik aan een voorbijganger waar de bekende berg is en hij zegt dat hij onzichtbaar is door de wolken is; en wij zijn dus duidelijk niet in de wolken.

We gaan bij het Keba hotel op het grasveld staan, 40 jaar geleden was het een modern hotel maar nu is het vergane glorie en teert men nog op het feit dat Jimmy Carter hier in 1988 gelogeerd heeft. We doen een loopje naar een waterval waar je 3 euro entree moet betalen dat naar de dorpsgemeenschap gaat. Het pad naar beneden is spekglad en wij houden ons goed vast aan de leuning. Er gaat een gids mee die op teenslippertjes naar beneden huppelt terwijl wij hem op onze goede bergschoenen en met onze loopstokken moeizaam volgen. De waterval valt wat tegen maar op het pad terug zien we allerlei tropische planten want we zijn inmiddels 500 km van de evenaar.  Om de douche en toilet te gebruiken hebben we de sleutel van een kamer gekregen, deze is zeer Spartaans ingericht en het waarschijnlijk niet de presidentiele Carter suite.


Zaterdagmorgen motregent het als we nog dichter naar de Kilimanjaro rijden maar ook daar zien we ook niets van de beroemde berg en geven de moed op en rijden via Moshi naar Arusha. Dit is het toeristische gedeelte van Tanzania en veel welvarender dan de rest. Langs de kant van de weg zien we kraampjes waar je allerlei groentes kan kopen zoals broccoli en bloemkool en het is bananentijd. Het begint te regenen en voor Arusha zijn er om de 500 meter hoge drempels op de weg waar je maar met 10 km overheen kan rijden, met als gevolg: 5 km file rijden. Hebben die klojoos een keer een goede asfaltweg en dan leggen ze zulke belachelijke drempels aan.

In de reisgids staat dat de Maasai camping in Arusha de beste is van Tanzania maar het is een onverzorgde bende met overal vuilnis en veel plassen. We besluiten om door te rijden, we missen daardoor wel lekker eten bij een goed Thais restaurant maar in de regen op zo’n gore camping staan is niets. We doen nog boodschappen in de Shoprite supermarkt en rijden, via enorme vlaktes waarop de Maasai hun vee hoeden, naar het wildpark aan het Manyara Lake. Als we de US$175 betalen voor de toegang- en campingkosten lezen we dat bezoekers uit Oost Afrika voor hetzelfde slechts US$ 6 hoeven te betalen: wij betalen dus 30x meer, dat is belachelijk veel meer en wij voelen ons gewoon gediscrimineerd. Je moet met Master creditcard betalen want als je met cash dollars wil betalen ben je 50% meer kwijt!!!

Net voorbij de ingang van het park is een publieke camping maar daar sta je niet leuk. Op de kaart staan andere kampeer plekken vermeld maar daar staat niet bij dat ze publiek zijn. We gaan op zoek naar een mooiere plek en zien al rijdend weer veel giraffes, waterbokken en buffels. We bekijken 2 andere kampeerplekken die wel beter zijn maar als we bij het bord van “Lake View Special Campsite” het spoor volgen zien we nergens een toiletgebouw en komen uit op een grote vlakte waar veel zebra’s en wilde beesten grazen. Op 20 meter van het spoor is een vlak plek waarop 3 giraffes ons staan aan te staren. We rijden er heen en de vrienden van Dikkertje Dap lopen langzaam weg. Het uitzicht is hier ongelofelijk mooi, misschien zijn we  niet op de juiste camping of plek maar we staan wel zeer “speciaal” en gaan er maar van uit dat dat bedoeld wordt met de naam van de campsite. Joke vraagt of er in dit park roofdieren zijn maar die worden niet genoemd in de reisgids. Ik sprokkel hout voor een kampvuur en zie wel olifanten poep en pootafdrukken maar geen olie’s. We steken het kampvuur en de bbq aan en onder het genot van een biertje en een glaasje wijn hebben we een echt “Out of Africa” gevoel. Voordat ik naar bed ga lees ik in een apart stukje dat dit park bekend is om de leeuwen die soms in bomen klimmen: dus er zijn wel roofdieren maar die hebben wij gemist of zij hebben ons gemist.

Heb je vragen of op- aanmerkingen over onze Afrika reis mail ons dan naar: frans.meijer@wxs.nl


				
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.