Tanzania 1 (24 sept t/m 1 okt 2011)
Zondagmorgen worden we wakker aan de baai van Mikandi na een eerste nacht slapen op Tanzaniaanse bodem. We gaan naar Mtware om flappen te tappen en kopen op de markt groente en fruit. Dan rijden we 50 km naar een klein natuurpark aan zee en gaan op de camping van de Ruvuma lodge staan. We staan er weer als enigen en als ik het gastenboek invul zie ik dat de camping de laatste maand maar 3 keer bezoekers heeft gehad m.a.w. het is niet overdreven druk ondanks het azuur blauwe water, het prachtige witte strand en de vele wuivende palmbomen. Je moet in dit park mooi kunnen snorkelen maar als we met een duikbril een poosje in het heldere water liggen turen hebben we koraal noch vis gezien.
Het is vandaag weer een vakantiedag en het enige “vakantiewerk” wat we doen is foto’s uitzoeken en het verslag afmaken en dat met een temperatuur van 30 graden en veel zon. Als het ’s avonds wat afkoelt zitten we onder een prachtige sterrenhemel te genieten van de lekkere maaltijd die Joke heeft bereid.
Maandagmorgen is de gasfles is leeg en ik sluit de kleine reserve gastank aan. We rijden naar de punt van het schiereiland om daar te snorkelen en komen zowaar langs een terrein waar grote gastanks staan. We vragen aan de vriendelijke bewaker of men onze gasflessen kan vullen, hij roept een collega, die kijkt naar de tanks maar helaas heeft men niet de goede aansluitingen; het zou ook te mooi geweest zijn. Omdat het laag water is kunnen we niet snorkelen en rijden naar de stad en horen dat gasflessen alleen in Dar es Salaam gevuld kunnen worden maar …dat ligt 500 km noordelijker!!! We hopen dat er nog voldoende gas in de reservefles zit tot we volgende week in Dar zijn. In een internetcafé sturen we het verslag naar zus Marijke en mailen naar de kinderen. We gaan weer in Mikandi staan en lopen naar het dorpje dat in de 16de eeuw een belangrijke havenstad was. Livingstone heeft hier ook nog gewoond voordat hij aan zijn laatste ontdekkingsreis begon. De enkele historische gebouwen die hier nog staan zijn een vervallen troep, alleen The Old Boma (Duits koloniaal gebouw) is gerenoveerd tot een mooi en zeer luxe hotel. We drinken daar bij het zwembad een sapje en zien eindelijk weer wat blanken lopen wat het totaal aantal Westerlingen, dat we de laatste 2 weken gezien hebben, op 30 brengt: je kunt dus niet zeggen dat we op drukke toeristische plekken zijn geweest.
Dinsdagmorgen rijden we 300 km via de kustweg naar het noorden. De weg is gloedje nieuw en de reis loopt zeer voorspoedig totdat we bij het gedeelte komen waar deze nog in aanbouw is en we moeten 50 km over een noodweg hobbelen.
Begin van de middag zijn we op de camping in Kilwa waar een Maasai watchman is. Hij heeft een rood kleed om, zijn schoenen zijn gemaakt van autobanden en hij heeft een wandel stok. Hij komt telkens langs en kijkt dan met bewondering naar onze fietsjes en verrelijker. Hij spreekt alleen Swahili en begrijpt geen woord Engels maar misschien komt dit omdat hij in beide oorlellen zulke grote gaten heeft.
Het lukt me zowaar om een elektrische storing op te lossen en ik prijs mezelf maar omdat niemand anders het doet want de Maasai snapt het niet en Joke ligt te dommelen. Op de camping staat een Landrover van Simon en Christy die beiden arts zijn en als vrijwilligers een half jaar in Zambia hebben gewerkt. Voor de kleine hulporganisatie “OncallinAfrica” bezochten ze in de bush afgelegen dorpjes waar soms nog nooit een dokter was geweest. Ze rijden nu naar Schotland om geld in te zamelen zodat ze weer terug naar Zambia kunnen gaan.
Om gas te sparen eten we bij de lodge, de grote garnalen smaken Joke uitstekend maar mijn steak is flink taai.
Woensdagmorgen fietsen we naar het stadje Kilwa want we willen de ruïnes van Kilwa eiland bezoeken. Bij de haven kan je toegangskaartjes kopen, maar om 8 uur is het loket nog gesloten ondanks dat het om 7.30 uur open zou gaan; om half 9 komt er eindelijk iemand aan sloffen. We nemen een gids en kunnen met een dhow naar Kilwa eiland varen; een dhow is een houten boot, van ca. 8 meter met een mast en een speciaal zeil, die hier al eeuwen wordt gebruikt. We waden tot bijna kruishoogte naar de dhow en als we aan boord zijn zeilen we met een mooi windje naar het eiland. Kilwa eiland werd al 1000 jaar geleden aangedaan door Arabische handelaars en later ook door de Portugezen en is eeuwenlang de meest belangrijke haven geweest van Afrika. Vanuit hier werd ook handel gedreven met China en India o.a. goud, koper, porselein en slaven. Er staan nog een aantal historische gebouwen gebouwd van koraalsteen en die gedeeltelijk zijn gerestaureerd o.a. een fort, een moskee en een paleis van de sultan met meer dan 100 kamers. Kilwa is zeer terecht Werelderfgoed en absoluut het bezoeken waard.
Terug op het vaste land rijden we met onze fietsjes over de mulle wegen en worden weer flink na gekeken door volwassenen en toegejuicht door kinderen. Het was heel leuk om met een dhow te zeilen en ook een leerzame dag over de geschiedenis van Afrika.
Donderdag regent het 10 druppels en dat fenomeen hebben we 3 weken hier niet meegemaakt. We willen naar het Selous Game Reserve gaan en dat is volgens de gps 250 km en 6 uur rijden. Het eerste stuk over asfalt loopt weer voorspoedig maar dan begint het te regenen en is de weg weer in aanbouw en komen weer op een noodweg met grote plassen en diepe gaten want het heeft hier flink gehoosd. Op een smal stuk komt er een bus aanrijden en die wijkt geen centimeter, Joke stuurt de camper naar de kant en we komen vast te zitten in de modder. Ik stap uit om de voorwielen te locken zodat we de 4×4 aandrijving kunnen inschakelen, de kleffe klei komt langs mijn teva’s tussen mijn tenen omhoog. Langzaam probeert Joke weg te rijden maar door de spekgladde modder glijdt de achterkant telkens weg. Na 50 meter komen we pas weer op het hardere spoor. Van de 4×4 cursussen weten we dat modder de meest moeilijke ondergrond is en het advies is om modder te vermijden en anders het spoor te blijven volgen en iets vaart te houden. Dat klopt in de theorie maar hier in de praktijk met die gevaarlijk voorbij denderende bussen is het niet mogelijk. Telkens als we in de verte een bus zien aan komen proberen we het zodanig uit te mikken dat we op een breder stuk zijn en een beetje vaart houden. De camper zit inmiddels flink onder de blubber en door passerende bussen komt de modder door het open raam op mijn shirt en ik ben blij dat ik vandaag mijn nette pak en stropdas niet aan heb. We zijn blij dat we na 30 km en 2 uur zeer intensief manoeuvreren op de nieuwe asfaltweg komen en schrapen met een stok een 6 cm dikke laag modder van de voorkant van de camper. Na 10 km is het asfalt weer afgelopen en gaan we weer de modder in. Het is gestopt met regenen en de piste wordt na verloop beter. We proberen onderweg in diverse dorpjes brood te kopen maar dat is hier niet verkrijgbaar, dat hebben we nog nooit mee gemaakt. Men spreekt hier Swahili en nauwelijks of geen Engels maar met allerlei gebaren kan je jezelf toch “verstaanbaar maken”. Tanzania is ca. 24 groter dan Nederland en heeft 40 miljoen inwoners, de levensverwachting is hier 50 jaar. De geloven zijn mooi verdeeld namelijk 1/3de is Christelijk, Islamitisch of Inheems. Tanzania is duidelijk minder arm dan Mozambique en de mensen zijn ook wat spontaner maar niet zo uitbundig als bijvoorbeeld in Malawi en Ghana.
De laatste 100 km naar het park is een oneffen zandpad en na 9 uur rijden zijn we op een camping die mooi aan de rivier ligt en waar ook Fransen staan die met een gids rondreizen.
Vrijdagmorgen rijden we naar de ingang van het Selous Nature Reserve. Volgens de reisgids zijn hier meer dan 140.000 buffels,100.000 wilde beesten, 70.000 olifanten etc. Dat lijkt heel veel maar Selous is het grootste park ter wereld en groter dan Nederland. In Tanzania zijn de entree- en overnachtingsprijzen in de wildparken vele malen hoger dan in de landen die we tot nu toe bezocht hebben namelijk 175 euro per etmaal. Omdat Selous afgelegen ligt komen er weinig bezoekers en we hoeven nauwelijks op andere auto’s te letten en kunnen daardoor beiden wild spotten en zien heel wat wild zoals giraffen, wilde beesten en zebras. Er is bijna geen wegbewijzering en nemen allerlei onduidelijke sporen om naar een meer te rijden. Dan lukt het ons niet om op de juiste weg terug te komen want er ligt een diepe droge rivier tussen. Na 2 uur dwalend rijden door een afwisselend landschap met veel open gedeeltes komen we weer op het hoofdspoor. De plek waar we kunnen overnachten wordt niet aangegeven met borden en men heeft uitgelegd dat we op het hoofdspoor telkens links aan moeten houden tot we bij het Tagala meer zijn. We zien tientallen paden die op hoofdsporen lijken en rijden adhv de gps richting het meer. Dan begint het hard te regen en de leembodem wordt spek en spek glad. We glibberen over het pad en glijden regelmatig weg en maken zelfs een slip van 90 graden: het lijkt wel of we op ijs rijden. Dan kunnen we niet verder want voor ons staat een groep van wel 250 buffels. We wachten een half uurtje en dan lopen ze eindelijk door. We moeten 2 moeilijke rivier passages doen en dat is knap eng als het zo glibberig is. We zien een safariauto rijden en de rancher wijst ons het spoor naar de camping. We komen op een plek waar het lijkt dat er meer auto’s hebben gestaan maar er is geen watchman, geen wc en natuurlijk geen hek. We staan helemaal alleen aan een prachtig meer waarin nijlpaarden zijn maar er kunnen hier ook leeuwen of luipaarden of andere roofdieren rondlopen. We zetten de stoelen dicht tegen de auto en genieten van de vele vogels die Joke noteert in haar dikke vogelaar boek. Als we eten kijken we regelmatig waakzaam om ons heen. Als het donker is schijn ik met een felle zaklamp op het water en zie wel 20 boomstammen liggen met lampjes oftewel oplichtende ogen van hongerige krokodillen die maar al te graag met hun grote bek een flinke hap van een blanke willen nemen. We gaan vroeg naar bed en de nijlpaarden knorren de hele nacht harder dan wij snurken.
Zaterdag staan we om 5 uur op want we moeten om 8 uur bij de poort zijn. Ik heb gedroomd dat we niet weg kunnen rijden omdat rondom de camper nijlpaarden en krokodillen liggen. Voordat ik in het donker de camper uitstap schijn ik onder de auto om te kijken of daar niet zo’n grootbek ligt te wachten om een hap te nemen van mijn lekkere pootjes. Als het licht is rijden we weg, het spoor naar de uitgang is goed te volgen maar bij de passage van een steile rivierbedding gaat het fout: we glijden met het rechter voorwiel in een diepe greppel. We hebben alle aandrijf middelen ingeschakeld en kunnen gelukkig iets achteruit rijden. Na 2 pogingen kunnen we uiterst behoedzaam langs de diepe greppel manoeuvreren, de camper gaat wel erg schuin maar we kruipen uit het dal. Om 8 uur rijden we de poort uit en zien buiten het park meer olifanten dan in het park.
We volgen urenlang een slechte weg die soms glad maar meestal erg hobbelig is. De bomen en struiken worden groener en groener en het lijkt wel of we in Thailand komen. In een dorpje eten we in een tentje langs de weg gebakken aardappelen met ei want ook hier kunnen we geen brood kopen. Er is een grote markt waar fruit en veelkleurige kleding wordt verkocht. Om 2 uur zijn we bij in Mogororo bij een lodge/camping en zijn blij dat we uitgehobbeld zijn. Het spannende bezoek aan het Selous park zullen we niet snel vergeten. Na 2 dagen bush kunnen we weer mailtjes ontvangen en zowaar met onze BlackBerry mailen.






