Mali deel 1, 28 november t/m 4 december
Zaterdagmorgen hebben we een mooi uitzicht op de rivier de Senegal nabij het oude Franse fort van Médine waar we wild kamperen. Gisterenmiddag waren we in Kayes, de heetste plaats in Afrika, we zijn daar weggegaan, niet vanwege de temperatuur want het was maar 35 graden, maar omdat er geen goede overnachtingsplek was. Onderweg hebben we nog gezien hoe men bij een dorpje “op zeer hygiënische wijze” in de open lucht op de zanderige grond een os slachtte.
Vandaag de 28ste is het offerfeest voor de Islamieten in Mali en dat is 90% van de bevolking van ca 12 miljoen in een land dat ca 30 maal groter is dan NL. We lopen door het dorpje dat aan de rivier ligt en door het water “redelijk welvarend” is. Op de belangrijkste feestdag van het jaar zijn de kinderen prachtig gekleed, een mannetje van 5 jaar heeft een zwart glanzend pak aan met een wit overhemdje en een paarse stropdas. Elk gezin dat het betalen kan heeft voor het feest een geit gekocht en die is vanmorgen om 10 uur geslacht, we zien karkassen hangen en men is druk bezig met uitbenen.
Van een lokale gids hebben we gehoord dat de oude 550 km lange verbinding van Kayes naar Bamako nog berijdbaar is en dat alleen de eerste 150 km erg slecht is, dan is er ca 200km onverharde weg en daarna asfalt. We besluiten de oude verbinding te nemen want dat is leuker dan de asfaltweg van 650km die sinds 5 jaar de eerste verharde ontsluiting is naar het westen van Mali. We gaan letterlijk op pad en ploeteren 2 ½ uur door sporen met zacht stuifzand, onderweg zwaait bijna iedereen naar ons want weinig auto’s nemen dit karrenspoor. We rijden dwars door dorpjes en kinderen komen overal vandaan rennen om ons te verwelkomen en we voelen ons Sinterjoke en grijze Piet want ze roepen allemaal “donnez moi un cadeau!!”. In een groter dorp zou volgens de kaart een hotel moeten zijn maar dat is er niet meer, we mogen wel van iemand op zijn compound staan maar de ingang is te smal en het terrein te oneffen. Om ons weer in de goede richting te helpen springt iemand op zijn bromfiets en loodst ons via paadje naar de weg, de bevolking is hier heel vriendelijk. Na nog 2 uur rijden hebben we nog geen campement gezien en besluiten om weer wild te kamperen, we rijden 100 meter van de weg af naar een mooie plek bij een baobabboom. Joke gaat eten koken en als we dat nuttigen horen we 2 fietsers aankomen, we houden ons stil want willen liever ongemerkt blijven.
Zondagmorgen rijden we om half 8 weg en krijgen een weg wat vroeger asfalt was en nu alleen een verzameling gaten zodat we maar 20 km per uur kunnen rijden. Dan volgt er weer een karrenspoor van 50 km, we zijn blij dat op de gps de track is ingetekend en hoeven daardoor niet vaak de weg te vragen. We zijn de laatste 2 dagen geen enkele auto tegengekomen. Na 4 uur komen we bij een rivier die we kunnen oversteken met een pont, volgens de reisgids hangt de prijs af van de stemming van de veerman. Als we halverwege zijn zegt hij dat het 30 euro kost omdat het Tabaskifeest is en wij een vrachtauto hebben, ik heb van een Malinees gehoord dat de prijs 4 euro is en zeg dat ik dat betaal, de veerman dreigt meteen terug te varen als ik de 30 euro niet betaal; ik moet heel wat Frans lullen om uiteindelijk tot 8 euro te komen. Na 6 km moeten we een brug nemen, in de reisgids staat dat we bij de stationschef moeten vragen of er geen trein aankomt.
Als we voorbij het station zijn zien we over de rivier een 250 meter lange smalle spoorbrug liggen met aan beide zijden ca 1 meter ruimte!!! Men zegt dat we niet mogen oversteken omdat we te zwaar zijn want de stalen platen naast de rails zijn doorgeroest, deze zien er bepaald niet erg nieuw uit, oftewel gewoon ouwe troep. Ik hoor dat er eergisteren nog een Landrover is overgestoken en ik leg uit dat de campercabine van uiterts licht materiaal gebouwd is en we geen zware goederen vervoeren, dan mag het maar we moeten met de linker wielen tussen de rails rijden en met de rechter wielen over de stalen platen. Als we rijden horen we een paar keer een scheurend geluid, de rivier stroomt wild onder ons en houden daarom flink vaart maar dan komt er halverwege een bromfiets aan en moeten we stoppen om deze er langs te laten, dat gaat net en dan rijden we met gezwinde vaart verder en komen veilig aan de overkant. Om 3 uur zijn we in Manantani en kunnen bij een eenvoudig restaurant- hotel staan, als we er een uurtje zijn komen er zo’n 50 kinderen met hun ouders een feestje vieren met harde muziek. We worden door 10-tallen kinderogen bekeken, een paar kinderen komen naar ons toe en zingen een liedje over het offerfeest, we geven ze een koekje. Geen minuut later komt er weer een groepje zingen en dat gaat zo door totdat alle rollen koek op zijn. Om 7 uur is het weer rustig en men komt de bestelde kip met patat brengen en dat blijkt per persoon een hele kip en dus een hele kluif te zijn.
Maandag 30 november rijden we eerst even langs de grote stuwdam die 10 jaar geleden is gebouwd om elektriciteit op te wekken en waarachter een enorm meer ligt ter grootte van een half IJsselmeer. We rijden op een weg die dan weer 100 meter verhard is en dan weer 400 meter zandpad maar dat gaat na 125 km over in een gloed nieuwe asfalt weg van 200 km. We zijn in 3 dagen maar 2 auto’s tegen gekomen, en in de hoofdstad Bamako zien we voor het eerst in 4 dagen weer een westerling lopen. Om 4 uur zijn we bij het campement Djoliba aan de rivier de Niger en we zijn weer de enige overlanders. We mailen in een internetcafe het vorige verslag aan Marijke want we hebben in Mali geen email bereik, bellen en sms-en met de BlackBerry gaat ook niet dus gebruiken we de satelliet telefoon om Ma Veluw te vertellen dat alle uitstekend gaat en het de laatste 2 dagen maar 32 graden is.
Dinsdagmorgen worden we opgehaald door Monsieur Mamadou (geen familie van de vrouw van Pipo) van de organisatie AADeC die samenwerkt met Oxfam Novib en die wij met onze Stichting FlexiPlan financieel steunen. We rijden ca 75 km naar het zuiden en komen na 10 km piste bij een dorpje waar met Oxfam geld een school is gebouwd. We worden eerst door het dorpscomité ontvangen en daarna gaan we de school bekijken, telkens als we in een klas komen zingen de kinderen een liedje. Er zitten gemiddeld zo’n 40 kinderen in een klas met 10 banken waar de kinderen strak naast elkaar zitten, sommigen hebben een eigen leerboek, schrift en pen maar anderen moeten die met 3 kinderen delen.
De school bestaat uit 2 gebouwtjes met elk 3 klassen, het eerste gebouwtje is in 1996 door de dorpsbewoners zelf gebouwd zodat de kinderen onderwijs konden krijgen; door dit dorps initiatief heeft AADeC ervoor gezorgd dat het 2de gebouw er is gekomen met Novib geld en dat zij ook zorgen voor de begeleiding. Het gemiddeld inkomen in Mali is slechts 1% van wat Nederlanders gemiddeld verdienen en daardoor gaan maar 65% van de kinderen naar school. Het schoolgeld bedraagt 1,50 euro per maand en sommige ouders kunnen niet al hun kinderen naar school doen, er gaan meer jongens dan meisjes naar school omdat die van minder “economisch” belang zijn want als ze trouwen gaan ze vaak in een ander dorp wonen. De AADeC zorgt ook voor volwassen onderwijs en geeft voorlichting over aids. Na dit bezoek gaan we naar het eenvoudige kantoor en praten met de directeur Mr Togo en Mamadou over hun aanpak, tijdens de lunch hebben we het over het kromme feit dat Europa meer verdient aan invoerrechten op Afrikaanse producten dan het uitgeeft aan ontwikkelingsgeld!!! Die invoerrechten hebben daarnaast ook nog een negatief effect op de economische ontwikkeling van Afrika, als je daarbij optelt dat Europa en Amerika hun overschotten hier soms dumpen dan kan je bepaald niet zeggen dat Afrika goed geholpen wordt. We worden teruggebracht naar de camper waar we in het zwembad van het hotel een lekkere duik nemen.
Woensdagmorgen vullen we de watertanks nokje vol en rijden naar een Westerse supermarkt waar we vlees, wijn en andere Europese dingen kunnen kopen tegen prijzen die 1 ½ keer hoger liggen dan bij onze Super de Boer. Bij een autowasplaats laten we de onderkant van de auto schoonspuiten zodat het zoute zand van de zee en het zoutmeer geen kwaad meer kan en we rijden in een prachtig gewassen auto naar het centrum van Bamako waar smog hangt.
Een man helpt ons met het vinden van een parkeerplaats en wijst ons de weg naar het toeristen bureau en probeert ons allerlei dingen aan te smeren. Ik geef hem voor het uurtje verleende diensten een bedrag ter waarde van 3 uur gemiddeld uurloon in Mali maar hij wil veel meer omdat wij blanken veel geld hebben, ik bedenk me voortaan wel 5x keer als weer zo’n gast ons wil “ helpen”. Op het terras van een mooi hotel gelegen aan de Niger eten we een salade en schrijven wat kaarten. We rijden 10 km naar de Cactus camping waar we Iris en Roderik weer ontmoeten, zij werken nu op deze camping om evaring op te doen, er is nog een overland-stel uit Nederland: Henk-Jan en Maureen die met een grote Daftruck in 1 ½ jaar een ronde Afrika doen. Henk-Jan heeft ook de cabine gebouwd en we bekijken elkaars werkstukken. De Cactuscamping is zeer basic nl geen elektriciteit en geen stromend water, Joke doet een paar wasjes en het water daarvoor wordt met een emmer aan een touw op Afrikaanse wijze uit een put getakeld. We eten met z’n allen in de gezellige patio en krijgen een lekkere peppersteak voorgeschoteld en praten gezellig tot het ineens al 11 uur is.
Donderdagmorgen rijden we naar Segou, de vroegere hoofdstad van het koninkrijk, het is een smalle maar redelijk goede asfaltweg die Bamako 1200 km tot Gao in het oosten verbindt. Om 1 uur zien we de Niger weer maar die is nu aanzienlijk breder dan in Bamako en is hier ook bevaarbaar voor wat grotere boten die nu, na de regentijd, een verbinding is om oa toeristen naar Djenne, Mopti en Timboektoe te vervoeren.
We gaan op de binnenplaats van een hotel staan met een mooi zwembad en we nemen een verfrissende duik, via een niet-beveiligd netwerk kunnen we mails lezen en versturen. Daarna fietsen we naar Segou en zien bij de Niger hoe vrouwen de was doen, pirroques mensen over zetten en men bezig is om een bootje met hout te lossen door per keer een stronkje op de kant te gooien, we drinken in dit relaxte plaatsje een koud biertje op een terrasje aan de rivier. In de schemer fietsen we terug naar de camper, onderweg worden we door vele witte tanden toegelachen want we vallen hier in donker Afrika erg op met onze witte fietsjes, bleke bekken en knipperende verlichting, we zijn blij dat we de fietsjes toch hebben meegenomen want we zijn daardoor veel mobieler.
Vrijdag rijden we 330 km naar Djenné en komen onderweg een Fransman tegen die op een Landrover Defender een campercabine heeft, hij reist al 6 jaar in West-Afrika en geeft wat tips. Om 2 uur nemen we de pont naar Djenné en bezoeken ”Het Zandkasteel” van de Nederlander Ton van der Lee waarvan de bouw is beschreven in zijn gelijknamige boek.
Het stadje Djenné is Werelderfgoed en moet in de oorspronkelijke staat blijven, er zijn geen verharde wegen en er is nog een open riool. We kunnen bij het “beste” hotel op het ommuurde voorterrein staan naast 3 souvenirstalletjes. Met een gids bekijken we Djenné en vooral natuurlijk de grootste lemen moskee ter wereld van 75 bij 75 meter. Elk jaar wordt aan de buitenzijde een nieuwe laag leem met de blote hand aangebracht omdat tijdens de regentijd de leem wegspoelt. Het is van buiten een imposant en mooi bouwwerk maar we mogen niet naar binnen want we zijn geen Moslim. We lopen verder door het stadje en wanen ons in de middeleeuwen met al die smalle straatjes, lemen huizen, ezels, geiten en schapen die op straat schijten, er liggen bossen brandhout, er zijn open marktjes en de spullen worden vervoerd met ezelskarren. Kinderen spelen in de rotzooi en zien er smerig uit, sommige hebben een dikke buik van ondervoeding. Naast het stinkende open riool bereiden vrouwen eten op straat en gooien alle afval gewoon van zich af; we worden er moedeloos van want het is gewoon een smerige ongezonde bende en dat mede doordat de Wereld erfgoed organisatie een open riool in stand houdt.





