Mali deel 2 en Burkina Faso 5 t/m 13 december
Zaterdagmorgen besluiten we om niet in Djenné te blijven omdat we op het campement geen enkele privacy hebben met 3 souvenirstalletjes om ons heen en het andere campement Chez Baba is nog minder. We gaan op weg naar Mopti, het landschap verandert meer en meer in een steppegebied. Bij de dorpjes zijn groepjes vrouwen hard aan het werk om gierst te stampen terwijl veel mannen lui op hun reet liggen te niksen. In Sevaré kunnen we bij een hotel staan maar we rijden 15 km verder naar Mopti, het toeristisch knooppunt van Mali en gaan daar staan op een binnenplaats van een wat morsig hotelletje. Langs de oever van de Niger is het een drukte van je welste, we zien vele pinassen (ca 20 meter lange houten open boten met een huifje) liggen, met de nieuwere exemplaren worden in 2 dagen toeristen naar Timboektoe vervoerd, met de oudere exemplaren reizen de Malinezen en deze zijn vaak afgeladen vol. Langs de haven is een markt en daar verkopen ze platen zout die vanuit de Sahara via Timboektoe hierheen zijn vervoerd en er staan grote bakken met gedroogde vis. Aan de kop van de haven is een werfje waar pinassen worden gebouwd, het er naast gelegen café BoBo is het trefpunt van Westerlingen en er zijn wel 20 Fransen, we drinken een lekker koud pilsje en kijken hoe de zon ondergaat. Van een Fransman horen we dat naast onze overnachtingsplek een disco is die tot in de late uurtjes harde muziek draait, we besluiten om in het donker terug te gaan naar het hotel in Sevaré. We eten daar maar Joke laat haar visje staan want ze voelt zich niet lekker en gaat vroeg naar bed. ‘s Nachts moet ze 2 maal overgeven, het is de eerste keer op deze reis dat iemand van ons ziek is.
Zondagmorgen doen we rustig aan want Joke voelt zich absoluut niet lekker. Om 10 uur rijden we een stuk naar Timboektoe, het landschap wordt droger en roder, het lijkt af en toe of we op een gigantische rode graveltennisbaan rijden. We zien veel kuddes koeien die door Peulen worden gehoed, die zijn veelal gekleed in blauwe kleden en hebben een punthoed op, het zijn lange mannen, ook de vrouwen zijn bepaald geen kleine Peultjes want sommigen zijn langer dan 1,80 meter en zeer aantrekkelijk om te zien. Om 1 uur zijn we in Douenza op een camping waar 15 tentjes staan van Nederlanders die met een reisorganisatie 24 dagen door Mali reizen. Joke gaat een paar uurtjes slapen en knapt op.
Maandagmorgen voel ik me zo beroerd als een hond en moet ook overgeven. Ik breng de morgen slapend door en Joke kan de camper opruimen en het eten uitzoeken. Tegen de avond gaat het wat beter en ik ga weer vroeg naar bed.
Dinsdagmorgen besluiten we helaas om niet naar Timboektoe te gaan omdat we door de 2 ziektedagen te weinig tijd hebben en ook omdat sinds 1 december op de website van het ministerie van Buitenlandse zaken ontraden wordt omdat vorige week een Franse toerist ten noorden van Timkoektoe door Al Queda is ontvoerd. Dus helaas geen bezoek aan de legendarische woestijnstad die pas 175 jaar geleden voor het eerst bezocht is door een Europeaan en mede bekendheid heeft gekregen als ultieme vluchtplaats voor Donald Duck. We gaan met een gids een Dogon dorpje bekijken, er zijn lemen huisjes, graanschuurtjes, onverharde straatje en families die bij elkaar op een compound wonen. In een museumpje vertelt een enthousiaste “conservator” in slecht verstaanbaar Frans over de Dogon cultuur. Bij het dorpsschooltje geven we schriften en pennen af, de kinderen zien er smerig uit en het is in de klassen een enorme rommel.
Via een website van een overlander weten we dat het mogelijk is om met de auto door de Dogon vallei te rijden, van onze gids horen we dat het karrenspoor redelijk berijdbaar is, hij legt uit naar welke plaatsje we telkens de weg moeten vragen want deze staat niet op de kaarten die we hebben. We vertrekken en rijden natuurlijk een paar keer verkeerd, de veehouders die we zien spreken geen Frans maar als we de plaatsnaam noemen wijzen ze welk spoor we moeten hebben. Op enkele zanderige stukken kunnen we wat door rijden maar op de vele hobbelstukken komen we niet boven de 15 km. We houden de steile bergrand van het Dogon plateau telkens rechts van ons maar ondanks dat we op het goede spoor zitten lijkt het soms of we op een knollenveld rijden. Er staan veel lage bomen die we moeten ontwijken, op een gegeven moment ligt het spoor verdiept tussen hoog gras en is het maar een paar cm breder dan de auto, we steken een stroompje over en moeten daarna omhoog klimmen tegen de steile oever. Al bij al zeer afwisselende rit in het mooie Dogon landschap. In een dorpje zien we een leuke auberge maar we kunnen niet onder de poort door, we mogen de camper bij de ingang plaatsen met uitzicht op een compound waarin dieren loslopen en heel veel kinderen tussen de rommel spelen. Op het dak van de auberge slapen meestal de gasten in de open lucht maar wij drinken er een biertje en zien van boven hoe de bevolking hier leeft en werkt. Een gids laat ons een prachtig boek zien van de Dogon met veel foto’s van de Nederlander Joop van de Stigt die hier al meer dan 20 jaar komt en veel projecten heeft opgezet.
Woensdagmorgen 9 december rijden we met de Dogon gids naar de Younda waar wij beginnen met de beklimming van de rotswand. Na een uurtje komen we bij een dorpje dat net onder de loodrechte rotswand ligt. Men leeft hier nog in de middeleeuwen namelijk zonder riool, elektriciteit en stromend water, de bewoners moeten helemaal in de vallei water halen behalve na de regentijd want dan staat er water van een stuwplasje. Er staan een paar grote baobabbomen waarvan men de bast gebruikt om touw van te maken, de vruchten (apenbroodjes) eet en de bladeren als “groentemengsels” verwerkt in de gierst dat tussen de rotsen groeit, de rondlopende kippen en geiten zorgen voor het vlees. De Dogonmensen hebben een geloof waarbij dieren zoals krokodillen, vossen en herten een belangrijke rol spelen en in elk dorp is een oude man hogon (hoge priester). Hoog in de steile rotswand staan lemen bouwwerken in de vorm van een bijenkorf, dit zijn de woningen en de graftombes van de Tellem, een pygmeeënvolk dat hier een aantal eeuwen geleden heeft gewoond. Het is prachtig en zeer indrukwekkend om te zien en het is nauwelijks te begrijpen hoe men bij de holen in de 100den meters hoge loodrechte rotswand kon komen. Via een ca 3 meter brede en 100 meter hoge spleet lopen we verder en klimmen via rotsblokken omhoog en daarna nemen we een dogon ladder, dat zijn boomstammen met uitgehakte treden. We komen bovenop het rotsplateau waar de zon genadeloos brandt en hebben een prachtig uitzicht op de vlakte en de rotswand van Bandiagara waar we gisteren langs reden en zien in de diepte een dorp met hutjes en graanschuren met rietendaken. We lopen een uurtje op het plateau en dalen dan en komen in een dorp langs een menstruatiehuisje waar de vrouwen ongeveer een week moeten verblijven als ze ongesteld zijn want dan zijn ze onrein. Joke vindt het jammer dat ze deze gewoonte niet in Nederland hebben. In het dorp drinken en eten we wat en kunnen even uitrusten om de hitte te ontlopen, daarna lopen we nog een paar uur en komen door het dorp wat we van boven zagen liggen. We hebben een prachtige en zeer afwisselende tocht gelopen in de zeer bijzondere Dogon vallei. Via een zeer ongelukkig pad hobbelen we met de LC naar het Dogondorp Sanga en kunnen op de binnenplaats van een drukke auberge staan.
We bellen donderdagmorgen met de satelliet telefoon Ma Veluw want die wordt vandaag 88 jaar en rijden daarna via een slechte weg naar Bandiagara vanwaar veel tochten naar het Dogonplateau en -vallei vertrekken. Voor het eerst in 6 dagen kunnen we weer internetten en sturen het vorige verslag naar Marijke. Aan de zuidkant van de Dogon vallei komen we via Bankas bij de grens van Burkina Faso. De uitklaring gaat vlot, de gendarme is verbaasd dat Joke rijdt en vraagt haar rijbewijs, het maakt wel indruk bij de Afrikanen dat Joke rijdt want een vrouw achter het stuur, en zeker van zo’n stoere bak zien ze niet elke dag. De politiemensen bij de grens van Burkina zijn netjes gekleed en uiterst correct, bij de douane kan ik gelukkig een stempel krijgen in het Carnet de Passage zodat we de auto voor langere tijd in Burkina kunnen laten omdat middels het Carnet een borg is afgegeven ter voorkoming dat we de auto zouden verkopen waardoor de staat invoerrechten zou mislopen. Om 4 uur zijn we in een grote plaats, de wegen zijn er afgezet ivm het onafhankelijkheidsfeest waarvoor de president een defilé komt afnemen. Na heel wat zoeken kunnen we de camper op de binnenplaats van een hotel neer zetten en hebben weer eens een ruime privacy plek.
Vrijdagmorgen rijden we via een goede asfalt weg de 200 km naar de hoofdstad Ouagadougou en zien dat in Burkina minder rotzooi op straat ligt en veel verzorgder aandoet dan Mali. In Burkina Faso (het vroegere Opper-Volta) wonen 12 miljoen mensen, het is 7 keer groter is dan NL, behoort tot de 10 armste landen van de wereld, hier is slechts 40% Islamitisch. We zien onderweg een bus rijden met een “flinke” lading op het dak en een bromfiets beladen met maar liefst 7 geiten, de berijder heeft een dikke jas aan want het is hier flink koud, slechts 34 graden!!! In Ouagadougou gaan we op zoek naar een stallingsplek voor de camper, schoondochter Maaike heeft vanuit NL per mail mensen gecontact met als resultaat dat we 5 mogelijkheden hebben en om 12 uur al bij de 2de mogelijkheid een geschikte stallingsplek hebben bij hotel OK-Inn. Er is daar wifi en kunnen op de laptop bekijken wat de mogelijkheden zijn om naar NL te vliegen. Door de naderende Kerst vliegen de expats, ontwikkelingsmensen en zakenmensen de aankomende weken naar Europa en zoals we al vreesden zijn veel vluchten al volgeboekt. Er is a.s. maandagmorgen vroeg via Air Maroc nog een mogelijkheid, we gaan meteen de stad in en boeken de vlucht bij een reisbureau. We hebben dus in 3 uur tijd een stallingsplek en de vlucht voor elkaar en dat is een paar dagen sneller dan we gedacht hadden. Op deze goede afloop gaan we ’s avonds bij het hotel heerlijk in de buitenlucht eten en proosten met een lekkere fles rode wijn op de fantastische reis.
Zaterdag en zondag zijn we bezig om alles schoon te maken, uit te zoeken en in te pakken en zetten de auto goed afgesloten op een veilige plek aan de zijkant van het hotel. We liggen zondagmiddag met 34 graden nog bij het zwembad terwijl we net hebben gelezen dat het in NL maar 4 graden is. We gaan vroeg naar bed want om 1 uur brengt een taxi ons naar het nabij gelegen vliegveld en zijn ruim 14 uur later weer in Nederland.
Het eerste deel van onze Afrika reis zit er op, we hebben in 9 weken ca 12.500 km gereden en 6 Afrikaans landen bezocht. Overal (muv Mauritanië) waren de mensen ontzettend vriendelijk, vrolijk en zeer behulpzaam, we hebben ons nooit bedreigd gevoeld.
Vooral Marokko is een prachtig land: een absolute aanrader. Mali met de Dogon vallei was de topper en heeft de meeste indruk op ons gemaakt.
De rotzooi die overal ligt, vooral in Mali en Mauritanië, is een negatief punt, iedereen flikkert gewoon alles van zich af. De zeer ondergeschikte (en misschien wel onderdrukte) rol van een flink deel van de vrouwen in Marokko en Mauritanië is schrijnend.
Als westerling word je in donker-Afrika beschouwd als een wandelende spaarpot, iedereen wil wat aan je verkopen en een groot deel van de kinderen roept “geef me wat” maar ze blijven meestal niet irritant aandringen. De armoede en de rotzooi maakten ons af en toe moedeloos
De LandCruiser en de campercabine zijn ons meer dan uitstekend bevallen, probleemloos hebben we 1000den km slechte wegen gereden waarvan enkelen honderden kilometers nauwelijks begaanbaar en dus extreem slecht waren.
We kijken nu al uit naar het vervolg van onze Afrikareis in maart 2010.





